Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

M. Agrippa.

Hy bemint bet volk, maar wil het niet tot zyne flaapmakkers hebben. Edele Cominius, fpreek op. (Coriolanus ftaat op, en wil vertrekken.)

Eerste Raadsheer.

Blyf, Coriolanus, en Schaam u niet uwe dappe* ie daaden aan te booren.

Coriolanus

Ik bid den Achtbaaren Raad om verfchooning * ik zou iiever myne wonden nog eenmaal willen laaten geneezen dan hooren vernaaien hoe ik die gekregen heb. Brutus.

Ik hoop niet, Mynheer, dat myne woorden u hebben doen opilaan?

Coriolanus.

Neen, vriend! Schoon ik dikwils gevloden heb voor woorden , daar ik voor ilagen liaan bleef; gy vleit niet, derhalven beleedigt gy niet; en wat uw Volk betreft, ik bemin het zo verre het zulks verdient. —■

M. Agrippa. Ik bid u, zit neder.

Coriolanus. Ik zou liever hebben, dat iemand my het hoofd ln de zon zat te krabben als bet teken tot den aanval gegeven word, dan de monilerrol van myne nietswaerdige daaden hooren opleezen. (Coriolanus vertrekt.)

M. Agrippa.

Hoofden des Volks, hoe kan hyuwe als vlfchkuitvoortteelende Gemeente vleijen, waar by men onder duizend naauwlyks één goeden kan vinden, daar gy ziet, dat hy liever alle zyne ribben zou waagen om eer te verkrygen, dan een van zyne ooren om die (eer) te hooren vernaaien? Begin, ComiBios.

Cominius* De ftem zal my begseven, en de daaden van CoCo.

Sluiten