Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 79

Eerste Raadsheer. Neen, Mynheer, niet in deeze verhitting.

Coriolanus. Zo waar als ik leef, ik zal het nu doen. Ik zal myne vrienden, de Edelen, om vergiffenis bidden, maar laat het veranderlyk en Hinkend graauw op my zien, dewyl ik het niet vlei, en in myne redenen zichzelf befchouwen; ik zegnogmaal, datwy, door hetzelve te koefteren, tegen den Raad het onkruid van oproer, ftoutheid, en partydigheid aan. kwekken, voor hetwelk wy zei ven geploegd, ge. zaaid, en gemaaid hebben, naardien wy hetzelve met ons aanzienlyken vermengen, met ons, aan welken geene dapperheid, en geene magt ontbreekt dan die, welke wy aan bedelaars gegeven hebben. M. Agrippa. Het is genoeg.' Niets meer!

Eerste Raadsheer. Geen woord meer, bid ik u.

C o r i ol a nus.

Hoe! geen woord meer? Zo waarlyk als ik myn bloed voor myn Vaderland geftort heb, zonder da magt van den vyand te vreezen; zo waarlyk zalmy^i ne long, tot verteeren toe, fcherdwoordeu fuiee* den tegen dit fchurft, welkers jeukte wy met ver. achting behoorden te vermyden, terwyl wy intusfchen den rechten weg inflaan om daarmede befmet te worden.

Brutus.

Gy fpreekt van het volk alsof gy een God waart, die de magt heeft om hen te ftrafFen, en geen menfch, die hen in zwakheid gelyk is.

S i c inius.j

Het is noodig, dat wy dit aan het Volk te kunnen geeven.

M. Agrippa. Wat, wat? zyne drift....

Co-

Sluiten