Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9i CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

pen moogen uitbarsten, dewyl hy zoveel vriendea heeft; en het magtig Romen door Romeinen geplunderd worde.

Brutus. En, indien dat eens zo was ?

S i c i n u s.

Wat moogt gy praaten, hebben wy niet zei ven eene blvk van zyne gehoorzaamheid gezien ? Heeft hy niet onze Dienaars geflagen, en zich tegen ons aangekant? Kom....

M. Aorippa.

Bedenkt dat hy in den oorlog grootpebragt is, van dien tyd af, dat hy een zwaard heeft kunnen tillen en dat hy flecht bedreven is in gezifte taai, hv fto'ot meel en zemelen, alles te gelyk uit. Vergunt my de vryheid van naar hem toe tegaan, en ik zal trachten hem te overreeden om zich ter plaat fe te begeeven, daar by zich op eene wettige wys zal verantwoorden, met bedaardheid, op gevaar van zyn leven.

Eerste Raadsheer.

Achbaare Gemeensmannen, dit is de billyke weg; de andere zou al te veel bloed koffen , en deszelfs einde zou in het minft niet gelyken aan het begin. Sicinius.

Edele Menenius, wees gy dan by hem de gevolmagtigde van het Volk. — Vrienden, legt uwe wapenen neder.

r Brutus. Maar gaat niet naar huis.

Sicinius. Komt op de markt byëenrwy zullen u daar verwachten , en zo gy Marcius niet daar brengt, zullen wyin ons eerft befluit volharden.

M. A grippa. Ik zal hem u brengen. (Tegen de Raadsbeeren.) Laat my u verzoeken, dat gy my verzelt. Hymoet

ko»

Sluiten