Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soo CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

uitgedeeld. Maar zou hy weder terug komen ? (Een Dienaar komt op bet Tooneel.") Dienaar.

Marcius komt.

Brutus.

En wie verzelt hem ?

Die na ar. De oude Menenius, en de Raadsheeren, die hem altoos genegen zyn geweeft.

Sicinius.

Hebt gy eene lyft in order gebragt van alle de ftemmen , die wy hebben weeten te verkrygen ? Dienaar. Ja, ik beb die hier gereed.

S i c iniu s. Hebt gy die naar de wyken opgenomen?

Dienaar. Ja, dit heb ik gedaan.

Sicinius. Roep dan nu het Volk hier byeen, en laat het dan, wanneer ik zeg: " Het zal zo zyn, uit naam, „ en bylafte der Gemeente, " — het zy dan dood, of geldboete, of of ballingichap, wan neer ik zeg, " geldboete, " roepen, " geldboete, " of " dood," dan, "dood, " en aandringen op het oud voonecht, en op de rechtvaardigheid van de zaak.

Dienaar Ik zal hen daaivan kennis geeven.

Brutus.

En, wanneer zy eenmaal begonnen hebben te roepen, laaten zy dan niet ophouden, maar met een verward gefchreeuw aandringen op eeneoogenbliklyke uitvoering van het vonnis , dat wy uitge. iproken hebben.

Dienaar.

Zeer wel.

Sicinius. Zorg , dat zy moedig en gereed zyn tot deeze

Sluiten