Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iïfc CAJUS MARCIUS CORIOLANUS;

huis in Romen overtreft; zoverre gaat myn zoon, de gemaal van deeze edele vrouw, de man, dien gy gebannen hebt, u allen te boven.

Bkutus. Genoeg, genoeg, wy zullen heengaan.

Sicinius. Hoe kunt gy toch langer blyven ftaan , en u ophouden met esne vrouw, die haar verfland ver* loren heeft?

Volumnia, Neemt myne hartelyke wenfchen met uj ik wenfchte wel, dat de Goden niets anders te doen hadden, dan myne vervloekingen uit te voeren. (De Gemeensmannen vertrekken.') Indien ik flechtseenmaal daags hen kon aantreffen, dan zou ik myn hart kunnen ontladen van den haat, die zo zwaar op hetzelve legt.

M. AGRIPPA.

Gy hebt hen braaf de les voorgelezen; en, op myne eer, gy had rede daartoe. Blyft gy deezen avond by my eeten ?

Volumnia.

Gramfchap is myne fpys, ik eet van myzelve, en dus ik door myn voedfel vergaan. Kom, laaten wy gaan, flaak dit inwendig jammeren, en klaag overluid gelyk ik, in toorn , gelyk Juno klaagt. Kom voort, kom voort.

M. Agrippa.

Ach, ach, ach 1

DERDE

Sluiten