Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ija CAJUS MARCIUS CORIOLANUS. •

zyn tegen bet 'gevaar , waarmede gy gedrefgd word.

Sicinius. Zeg het my toch niet, het kan niet weezen. Brutus.

Het is niet mooglyk. (Een Bode komt op bet Toi9 • neel.)

Bode.

De Edelen gaan allen, met grooten haaft naar het Capitool; daar is eene tyding gekomen , die hen van gelaat doet veranderen.

Sicinius. Dat komt van dien ilaaf; gaa heen, laat hem voor de oogen van al het volk geesfelen. Hy heeft het opgebragt! Het is zyn uiiftrooifel.

Bode.

Ja, achtbaare Sicinius, het verhaal van dien flaaf word bevestigd, en nog meer; daar word nog fchrikkelyker nieuws gemeld.

Sicinius. Wat dan nog fchrikkelyker ?

Bode.

Verfcheiden lieden zeggen rechtuit, met wat waarfchynlykheid weet ik niet, dat Cajus Marcius met Aufidius vereenigd een leger tegen Romen aanvoert, •n een weêrwtaak gezworen heeft zo uitgeflrekt als de tusfchenruimte tusfchen de nieuwfte en de oudfte dingen.

Sicinius. öet is ook heel waarfchynlyk.

Brutus.

Het is enkel uitgeftrooid, om het gemeene volk te doen wenfchen, dat Marcius weder mooge terug geroepen worden.

Sicinius.

Dit is de gantfche zet.

M. Agritpa. Het is niet waarfchynlyk. Hy en Aufidius kun*

nes

Sluiten