Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3» CAJUS AMRCIUS CORIOLANUS.

ders najaagen, of als flachters, die vliegen doo* den.

M. Aorippa» Gy hebt wat fchoons aangevangen , gy en uw fchootsvellenvolk, dat gy zo fteik geftaan hebt op de ftemmen van handweikslieden, en op den adem van knoflookeeters.

Cominius. Hy zal u, uw Romen om de ooren fchudden.

M. Agrippa. Even gelyk Hercules de rype (Hespeiifche) vruch' ten affchudde. Gy hebt het fraai gemaakt 1 Brutus. Maar is het wel waar, Mynheer?

Cominius. Ja, en ik verzeker u, dat gy nog wel eens verbleeken zult, éér gy het anders bevind. Alie onze iandfchappen ftaan gewillig tegen ons op, enalwie tegenftand bieden, worden befpot over hunne dom. me dapperheid, en fneuvelen als ftandvaftige dwaa. zen. Wie kan het hem kwaalyk neemen ? Uwejen zyne vyanden vinden zelfs iets in hem.

M. Asrippa. Wy zyn allen bedorven, zo die edele man geene barmhartigheid met ons heeft.

Cominius. Wie zal hem daarom bidden. De gemeensmannen kunnen dit niet doen fchaamtshalven ;het volk verdient by hem dezelfde barmhartigheid, die de wolf van de fchaapherders verdient; en zyne befte yrienden, als die tegen hem wilden zeggen : " Wees Romen genadig, " dan zouden zy even Hecht doen als zy, die zyn' haat verdiend hebben, ca die zich zyne vyanden toonden te zyn.

M. Agrippa. Het is waar. Wanneer hy den brand ftak in myn touis, die hetzelve geheel ftond te verteeren, dan aou ik nog liet hut niet hebben om te zeggen:"

Sluiten