Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i34 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

Allen.

Waarlyk wy hooren verfchrikkelyke tydingen.

Eerste Burger. Wat my betreft, toen ik zeide:" bant hem, "zeide ik daarby: " maar het is jammer." * Tweede Burger.

En ik ook.

Derde Eurger. En' ik ook; en om de waarheid,te zeggen, d!t zeiden veelen van ons. Dat wy gedaan hebben, dat hebben wy om beft wille gedaan; en fchoon wyvrywilliglyk in zyne verbanning geftemd hebben, was het echter tegen onzen wil.

Cominius. Gy zyt mooije dingen, gy en uwe ftemmen '•

M. Agrippa. Gy hebt wat fchoons uitgericht, gy en uw ge • fchreeuw. (tegen Cominius.) Zullen wy naar het Capitool gaan?

Cominius. Voorzeker ja; wat anders? (M. Agrippa en Cominius vertrekken.)

Sicinius.

Gaat, vrienden, gaat naar huis, weeft niet mistrooftig. Dit is een aanhang, die zich zou verbly. den indien het waar was, hetgeen zy zozeerfchy nen te vreezen. Gaat naar huis, en toont geene blyken van vrees.

Eerste Burger.

De Goden moeten ons genadig zynl Komt vrienden, laaten wy naar huis gaan. Ik heb altoos, ge zegd dat wy ongelyk hadden, toen wy hem ver. banden.

Tweede Burger. Dit zeiden wy allen, komt laaten wy naar huis gaan. (De Burgers vertrekken.)

Brutus. Bat nieuws behaagt my nret.

Sluiten