Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jjo- CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

Onderbevelhebber.

Ik zou echter wel wenfchen, Mynheer, te weeten voor uw byzonder belang, dat gy uwen last niet met hem gedeeld had; maar dat gy deezen optogt alleen had opgenomen, of dat gy dien aan hem al. leen had overgelaten.

T. Aufidius.

Ikbygrypu wel; en wees verzekerd, dat hy, wanneer hy eens rekenfchap zal moeten geeven , nog niet weet, wat ik al tegen hem zal kunnen inbren • gen. Want fchoon het fchync, en hy zich verbeeld, en het klaarblyklyk is voor de oogen van het Ge. meen, dat hy in alles oprechtelyk te werk gaat, ea den Volfcifchen Staat zoekt voer te ftaan; dat hy ftryd als een draak, en dat hy overwint zohaast hy zyn zwaard trekt; heeft hy echter geene zorg gedragen voor datgeen, hetwelk hem den hals zal koften, of den mynen in gevaar brengen, wanneer wy in het geval komen van rekenfchap te doen. Onderbevelhebber.

Zeg my toch, Mynheer, denkt gy, dat by Ro. men overmeefteren zal?

T. Aufidius.

Alle ftsden geeven zich aan hem over, éét hy het beleg voor dezelve heeft nedergeflagen, en de Edelen van Romen zyn zyne vrienden; de Raadsheeren en de overige Grooten beminnen hem ins» gelyks; de Gemeensmannen zyn in het geheel geene krygskundigen; en het volk zal even haastig zyn in zyne terugroeping, als in zyne verbanning. Ik denk, dat hy voor Romen zal zyn , hetgeen de zeeMrend is voor de viflehen, welke hy door eene ingefchapene overheerfching vangt. Eerft was hy een edel dienaar van dien ftaat, maar hy wift zyne eertitels niet met behoorlyke gemaatigdheid tedraagen; het zy dan, dat hoogmoed, die, wanneer het geluk de gewoonlyke paaien te boven ftreeft, den gelukkifen merifch altoos aanfteekt, of, dat gebrek aan

oor*

Sluiten