Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i3S CAJUS MARCIUS CORIOLANUS. VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het looneel verbeeld eene openbaare plaats te Romen.

M- Aoripta. Cominius, Sicinius, Brutus, en eenige Edelen en Gemeenen.

M. Agrippa. Neen, ik wil niet gaan. Gy hoort wat de man zeet die voordeezen zyn Veldheer geweeft is, en die hem altoos eene byzondere genegenheid heeft toïeedragen. Hy was gewoon my vader te nemen; mair wat wil dat zeggen? Gaat gylieden, die hem verbannen hebt, valt, opden afftand.van eene myl, voor zyne tentneder, en leg dus kruipende den overigen weg tot zyne barmhartigheid af. Neen dewyl hy geweigerd heeft Cominius te hooren fpreeken, zal ik thuis blyven.

Cominius. Hy fcheen my niet te willen kennen.

M. Abrippa. Hoort gy dat wel ?

CominiusEenmaal echter noemde hy my by myn* naam. Toen drong ik aan op onze oude bekendfchap, en bezwoer hem by de droppelen bloeds, die wy te zaamen vergoten hadden. Maar op den naam van Coriolanus wilde hy niet antwoorden ; hy verzocht, dat ik hem geen' naam zou geeven, zeggende, dat hy eene foort van onwezen was, dat geen' titel had, vóór dat hy zich een'naam zougefmeedheb. ben, die in het vuur van het brandend Romen gegloeid was.

6 M. A g r i p«

Sluiten