Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

139

M. Agrippa. Wel zo, Gy hebt u wel uitgefloofd. Een fraai paar Gemeensmannen, die voor Romen geplukt heb. ben om de kooien goedkoop te maaken. Eene edele nagedachtenis'

Cominius.

Ik herinnerde hem, hoe edel het is vergiffenis te fchenken, wanneer dezelve minft verwacht word. Maar hy gaf ten antwoord, dat dit niets anders was dan een bloot verzoek van ftaat aan iemand , diea zy 'gebannen hadden.

M. Ag rippa.

Zeer wel; kon hy wel anders fpreeken? Cominius.

Ik beproefde, of ik zyne mededoogen voor zyne byzondere vrienden kon opwekken. Zyn antwoord was, dat hy zich niet kon ophouden met hen uit te pikken uit een' hoop duf en walglyk kaf. Hy voeg de daarby, dat het dwaasheid zou zyn om een of twee onnozele koorntjes den Hinkenden hoop on verbrand onder den neus te houden.

M. Agrippa.

Om een of twee koorntjes? Ik ben een vandee» zen, en zyne moeder, zyne huisvrouwen zyn kind, en deeze braave mannen ook. (Tegen de Gemeensmannen) Gylieden zyt het duf en walglyk kaf; en men kan uwen ftank nog boven den maan ruiken. Wy zullen om u verbrand worden.

Sicinius.

Ik bid, wees bedaard; indien gy ons in deeze nog nooit zo gevaarlyk geweeft zynde omftandigheden uwe hulp al wilt ontzeggen, befchimp ons echter niet in ons ongeluk. Maar dit is zeker, dat, indien gy de voorfpraak van uw vaderland wilt zyn , uwe gladde tong meer helpen zou om onzen landsman te ftuiten, dan al het krygsvolk, dat wy in haaftkun. nen op de been brengen.

r M.Agrip-

Sluiten