Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

M. Agrippa. Neen, ik wil geen middelaar zyn.

Sicinius.. Ik bid u, gaa naar hem toe.

M. Agrippa, Wat zou ik by hem doen ?

Bru tu s.

Alleenlyk beproeven, wat uwe genegenheid by Marcius ten behoeve van Romen kan uitwerken. M. Ag rip p a.

Welnu, en gefteld zynde, dat Marcius my deed terug keeren gelyk Cominius terug gekeerd is, on. verhoord, wat dan ? Enkel als een misnoegd vriend, die door zyne onvriendelykheid tot in de ziel getroffen is. Gefteld, dat dit zo was?

Sicinius.

Dan zal echter uw goede wil dank van Romen er. langen, naar maate uwe meening goed geweeft is. M. Agrippa.

Ik zal het onderneemen; ik denk, dat hy my hooren zal. Maar evenwel, dat byten op de lippen, en dat morren tegen den braaven Cominius beneemen my msrkeiyk den moed. Maar hy wierd niet ten rechten tyd aangetaft,hy had nog hetmiddagmaal niet gehouden. Wanneer de aderen niet opgevuld zyn is het bloed koud, en dan zien wy den voormiddag verdrietig aan, en zyn niet bekwaam om te geeven of te vergeeven; maar wanneer wy deeze buizen en geleiders van het bloed met wyn en voedfel voorzien hebben, dan hebben wy buigzaamer zielen, dan by ons priefterlyk vas ten. Derhalven zal ik hem opwachten, wanneer by door den maaltyd tot myn verzoek voorbereid is, en dan zal ik een' aanval op hem doen. Brutus.

Gy weet den juiften weg tot zyne gunft, en kunt das het fpoor niet misfen.

M. Agrip'

Sluiten