Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS

fchynt te zyn ? Kunt gy denken, dat gy het reeds befloten vuur, dat uwe Stad in lichte vlam zal zetten , zult uitblaazen met een' zo zwakken adem ais deeze is? Neen, gy bedriegt u; keer derhalven te* rug naar Romen, en bereid u tot uwen ondergang. Gy zyt veroordeeld, onze Veldheer heeft gezwo • ren, dat hy u noch uitftel, noch vergiffenis zal verleenen.

M. AORIPf A.

Kaerel, indien uw Hoofdman wift, dat ik hier was, hy zou my met meer achting behandelen. Eerste Wacht. Kom i kom, myn Hoofdman kent u niet.

M. Agrippa. Ik meen uw Veldheer.

Eerste Wacht . Myn Veldheer acht u niet. Terug, zeg ik u, of ik zal u het half pint bloed, dat gy nog overhebt, aftappen; want dat is zekerlyk al het meefte, dat gy nog bezit. Terug.

M. Agrippa.

Welaan, maar, knaap, knaap! (Coriolanus

en Tullus Aufidius komen op bet Tooneel.)

CORIOLAIfUS.

Wat is hier te doen?

M. Agirppa, (tegen de Wachten.

Nu, Kameraats, nu zal ik u loon verfchaffen. Nu zu'.t gy weeten, dat hy my achting toedraagt; gy zult ondervinden.dat geen Jan - fchildwacht my van myn' zoon Coriolanus mag nfwyzen; Iet flechts op myn gefprek met hem, en maak daaruit op, of gy niet in gevaar zyt van gehangen te worden, of van eene dood, die nog langer fchoufpel ople. vert, en nog pynlyker is. Geef thans flechts acht, en bezwym op het denkbeeld van hetgeen u te wachftaat. (tegen Coriolanus.) — Dat de groote Goden onophoudelyk moogen vergadering houden over de vermeerdering van uw perfooalyk geluk, enufteeds

even

Sluiten