Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS*

T. Aufidius. Gy zyt ftandvaftig van gemoed. (Coriolanus en T. Aufidius •vertrekken.)

Eerste Wacht. Welnu, vriend, is uw naam Menenius?

Tweede Wacht. Gy ziet, dat 'er eene groote toverkracht in gelegen is. Gy weet nu denk ik, den weg naar uw huis.

Derde Wacht. Gy hebt gehoord , hoe wy beftraft zyn geworden , omdat wy uwe edelheid terug gehouden heb» ben.

Tweede Wacht. Welke rede zou ik nu, denkt gy hebben om te bezwymen ?

M. Ag rippa. Ik ftoor my noch aan de waereld, noch aan uwen Veldheer. En wat zulk tuig betreft als gyzyt, als ik u zie, dan kan ik naauwlyks gelooven dat ik iets zie, zo niets waerdig zyt gy. Hy, die voorgenomen heeft door zyne eigene handen te fterven, vreefl niet voor die van anderen; Laat uw Veldheer vry het ergfte doen. En gy, blyft nog lang die gy zyt, en uwe elende vermeerdere met uwe jaaren I Ik zeg thans tegen u hetgeen men tegen my gezegd heeft; Vertrekt. (M. Jgrippa gaat voeg.) Eerste Wacht. Een fchoon kaerel op myne eer. , Tweede Wacht.

De braaffle kaerel is onze Veldheer. Hy is een rotsfteen, een eikenboom, die door geen'wind kan bewegen worden. (Zy vertrekken )

DER-

Sluiten