Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 145

myne wraak* Ik zweer u by de yverzuchtige Ko« ningin des Hemels,dat dit de kus is, die ik vanu, myne waardfte, heb medegenomen, en dat myne oprechte lippen , die zedert dien tyd , met eene

maagdalyke zuiverheid bewaard hebben o Go-

den? ik ilaa hier te praaten ; zonder de befte moe. der vari den gantfchen aartbodem te groeten. Zink myne knie;zink tot in de aarde, en toon meer indruk van uwen plicht, dan de knie van gewooniyke zoonen. (Hy knielt neder,') Volumnia.

o Zoon, ftaa gezegend weder op; terwyl ik op geen zachter kusfen dan deeze fteenen voor u nederkniel, en tegen gewoonte u myne eerbewyzing betoon, alsof men die tot hiertoe tuffchen kinderen en ouders verkeerd begrepen had.

Coriolanus.

Hoe, wat is dit! knielt gy voor my y Voor uwen veroordeelden zoon ? Laaten dan vry de keizelfteenen van den hongerigen oever zich tegen de ftarren verheffen; Laaten dan de oproerige winden de trotfche cederboomen tegen het vuur der zon aanflingeren, en de onmooglykheid vermoord worden om van hetgeen niet gefchieden kan, ligt werk te maaken.

Volumnia. Gy zyt myn krygsheld; ik heb u helpen vormen. Kentgy deeze edele vrouw? (Zyviyft op Valeria.) Vol u mn ia. De braave zufter van Publicola, de maan van Romen; kuifch als een yskege!, die door de vorft uit de zuiverfte fneeuw tot ys geftremd is, en aan den tempel van Diana hangt* Waarde Valeria! Volumnia , (op den jongen Marcius wyzende.) En dit kortbegrip van uzelven, dat door de ryper jaaren uitgebreid uw eigen evenbeeld zal verwonen. Coriolanus. De God der krygslieden moete, met detoeftemK 3 «""S

Sluiten