Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

rning van den alvermoogenden Jupiter, uw gemoed met-edele denkbeelden vervallen , opdat gy moogt toonen onkwetsbaar te zyn voor fcbande, en in den oorlog uitmunten als eene uitmuntende baak, die alle ftormwindcn kan verduuren, en alle, die u ia * bet oog houden, redden! • Volumnia. Kniel neder, kind.

Coriolanus. Zie daar myn' braaven zoon.

Volumnia. Hy zelf, uwe echtgenoote, deeze edele vrouw, en ik zelf hebben u iets te verzoeken.

Coriolanus. Zwygt, bid ik u, of, zo gy fpreeken wilt, be« denk dan eerft, dat de zaak, die ik gezworen heb ten uitvoer te zullen brengen, door uwe afkeuring nooit kan gefluit worden. Vordert niet van my, dat ik myn krygsvolk zal afdanken, of op nieuw in onderhandeling treeden met het ambachtsvolk van Romen. Stelt my niet voor in welk opzichtikonnatuurlyk fchyn te weezen; tracht niet door uwe flaauwe redeneeringen myne woede en wraakzucht ter neder te zetten.

Volumnia. o Niets meer! niets meer! Gy hebt reeds gezegd, dat gy ons niets zoud toeftaan; en wy hebben niets anders te vraagen, dan hetgeen gy reeds geweigerd hebt. Wy zullen echter vraagen, opdat, wanneer gy ons onze bede ontzegt, zulks enkel aan uwe hardnekkigheid te wyten zy. Hoor ons derhalven. Coriolanus. Aufidius, en gy Volfcers, geeft wel acht; want ik wil in het afgezonderde geen* voorflag hooren van de Romeinen. (Tegen Volumnia.) Wat is uw yeizpek?

Volumnia. gehoon wy zweegen, en niet fpraken,dan zoude»

Sluiten