Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï56 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

M. Agrippa,

Zo deed hy my ook; en nu heeft hy niet meer weet van zyne moeder, dan een agtjaarig paard. De wrangheid van zyn gelaat zou rype druiftrofïen zuur maaken. Ais hy gaat beweegt hy zich gelyk een vreeslyk gevaarte . en de grond krimpt ineen onder zyne fchreden. Hy is in ftaat om een borft. harnafch met zyn oog te doorbooren; hy fpreekt als een klinkend metaal, en zyn Hm! is een krygsgerucbt. Hy zit op zyn' praalzetel als een , die Alexander verbeeld. Het geen hy wil dat gedaan moet worden, is te gelyk met fzyn bevel gedaan. Hem ontbreekt niets om een God te zyn dan de onfterf. lykheid, en een hemel om zyn' troon in te ves. tigen.

Sicinius. Wee onzer! zo gy hem naar waarheid affchetft.

M. Agrippa. Ik fchets hem in zyn waar karakter. Geef wel acht welk medelyden zyne moeder ons van hem terug zal brengen, daar'er niet meer medelyden in hem is dan melk in een' manlyken tyger; onze ongelukkige Stad zal dit ondervinden, en dit alles komt enkel van u.

Sicinius. Dat de Goden ons genadig zyn!

M. A cri p pa. Neen , in dit geval zullen de Goden ons niet genadig zyn. Toen wy hem gebannen hebben, heb. ben wy hen niet ontzien, en nu hy wederkomt, om ons om hals te hrengen, zullen zy ons niet ontzien. (Een Bode komt op bet Tooneel.) Bode, (tegen Sicinius) Mynheer . indien gy uw leven wilt redden, vlucht dan haaftig naar uw huis; het volk heeft zich van uwen Amptgenoot meefter gemaakt, en fcheuren hem heen en weder; enzyzweerenaüen, tiat zy hem, zo de Romeinfche vrouwen geen'

tiooft

Sluiten