Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. 195

Dowglas.om daardoor myn greetig oor met'bunnemoedige daaden te vullen; maar op het laatft, om myn oor inderdaad te Hoppen, hebt gy een' zucht gereed om deezen lof weg te blaazen, eindigende met te zeggen, dat zoon , broeder en alles dood is. Morton,

Dowgles leeft nog, en uw Broeder insgelyki;

maar Mylord uw Zoon

Northumberland.

Welnu, die is dood. Zie eens welk eene fnelle tong de achterdocht heeft. Hy , die enkel de din. gen vreeft, welke by niet gaarne zou willen verneemen, heeft by inftïnct reeds kennis uit de oogen van een' ander', dat hetgeen hy vreesde gebeurd is. Maar, fpreek echter. Morton; zeg aan uwen Graaf, dat zyn vermoeden liegt; en ik zal dit opneemen als eene aangenaame beleediging, en u een gefchenk geeven omdat gy my dit ongelyk aandoet.

Morton.

Gy zyt te groot om door my geleugenftraft te worden, uw voorzeggingsgeeft is al te waarachtig, en uwe vrees maar al te zeker.

Northumberland;

En, met dat alles, zeg toch niet, dat Percy dood is Ik zie eene vreemde bekentenis in uwe oogen; ay fchud uw hoofd, en houd het voor vrees of voor eene misdaad de waarheid te fpreeken. Indien hy verflagen is zeg het dan. De tong, die komt zegeen, dat hy dood is beleedigt niet; en hy doet zon. de, die een* dooden beliegt, maar niet de geene, die zegt dat een dood nietmeer leeft. Echter heeft de eerfte brenger van eene onaangenaame tyding eene onaangenaame bezigheid, en zyne tong klinkt achterna even als eene doodklok , die ons herin«ert, dat zy een' overleden' vriend beluid.

N 2

Sluiten