Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

HENDRIK de VIERDE

lord / — Myn waarde Graaf, maak toch geene fcheiding tusfcben uw verftand en uwe eer. Morton.

Het leven van allen uwe toegenegene medeftanders hangt af van uwen welftand, en indien gy dien aan hevige driften ten prooi geeft dan moet dezelve noodzaakelyk afneemen Gy hebt immers den uitflag van den oorlog overwogen, edele Lord , en de kansrekening opgemaakt, éér gy gezegd hebt: ,, Laaten wy de wapenen opvatten." Het was immers reeds uwe vooronderftelling, dat in de hitte der flagen uw zoon zou kunnen fneuvelen; gywift, dat hy over gevaaren wandelde, op eene kans, waarby hy meer waarfchynlykheid had van daarin te verzinken dan daarover te komen; gy waart niet onbewuft, dat zyn lichaam vatbaar was voor wonden; tn dat zyn driftige aart hem voeren zouter plaatfe, daar het grootft gevaar was, en evenwel hebt gy tegen hem gezegd. „ Gaasbesn." En niets van dit alles, boefterk gy het ook kond vermoeden, kon u van uw ftandvaftig vporneemen doen afzien; wat is 'er dan nu gebeurd, of wat heeft zyne ftouteonderneeming uitgewerkt, anders dan dat'ergebeurd is, hetgeen waarfchynlyk ftond te gebeuren? Bardolph.

"Wy allen, die aan dit verhes deel hebben, wis. ten, dat wy ons op zulke gevaarlyke zeeën be. gaven, dat het tien tegen een zou zyn,indien wy het leven daarvan afbragten; en evenwel hebben wy het om den voorgeftelden prys gewaagd; wy hebben een oogfchynlyk gevaar ge'art , en nu, daar wy overwonnen zyn , waagen wy het op nieuw. Kom, wy zullen alles opzetten, goeden bloed.

Marton.

Het is meer dan tyd ; en daarenboven, edels Lord, heb ik hooren verzekeren, en als waarheid beveftigen, dat de braave Aartsbiffchop van York

•P

Sluiten