Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. 203

Lo rd-Opperrechter. Hoe, naar York? roep hem terug-

Dienaar. Sir Johan Falftaff l ....

F a l s t a f.

Pagie, zeg hem, dat ik doof ben.

Pag ie.

Gy moet luider fpreeken, myn Heer is doof. L,ord-Opperrechter.

Ik ben wel verzekerd, dat hy het is om eenig goed te hooren. Gaa heen, trek hem aan den elboog. Ik moet hem fpreeken.

Dienaar.

Sir Johan

Falstaff.

Wat, zuik een jonge knaap bedelen ! Is 'er geen oorlog ? is 'er geen werk? Heeft de Koning geene onderdaanen noodig ? Hebben de Rebellen geene fol. daaten van doen? Schoon het fchande is eenige party aan te hangen dan eene, is het echter meer fchande te bedelen , dan de flechtfte zyde te verkie» zen, fchoon die ook Hechter ware, dan de naam van Rebellie kan uitdrukken hoe dezelve moet verkregen worden.

Dienaar-

Gy miskent my, Mynheer.

Falstaff.

Hoe, vriend? Heb ik gezegd.dat gy eeneerlyk man waart? Myne ridderfchap en krygsmanfchap ter zyde gefteld, dan heb ik het gelogen in myn' hals, indien ik dat gezegd heb.

Dienaar.

Eilieve, Mynheer, ftel dan eens uwe ridderfchap en krygsmanfchap ter zyde, en geef my vryheid, om u te zeggen, dat gy in uw' hals liegt, wanneer gy zegt, dat ik iets anders ben dan een eerlyk man.

Fal.

Sluiten