Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL 105

Lo rd'0 p perrech te r.

Nu, dat God hem wederherfteile' Maar, eilieve, laat ray toch met u fpreekenFalstaff.De beroerte is, naar het my voorkomt, eene foort van fhapziekte, onder het welneemen van uwe Lordfchap, eene foort van flaap in het bloed, een drommeifch gekrieuwel,

LordOpperrechter. Wat behoeft gy daarvan met my te praaten ? Laat het weezen wat het wil.

Falstaff. Dezelve heeft haar' oor fprong uit groote kwelling, uit fterk denken en hoofdbreeken. ik heb de oorzaak daarvan in Galenus gelezen. Het is eene foort van verdooving.

Lord Opperrechter. Dan denk ik, dat gy met die ziekte behebtzyt; want gy hoort niet wat ik tegen u zeg.

Falstaff. Zeer wel, Mylord, zeerwel; maar hetis. onder uw welneemen veeleer bet ongemak van niet te kunnen Imiteren, de ziekte van geene achttegeeven, die my geheel overheert.

Lord-Opperrechter. U aan de voeten te ftraffen zo j de oplettendheid van uwe ooren wel verbeteren; en het fcheelt my weinig, of ik zou uw Doctor wel willen worden. Falstaff. Ik ben wel zo arm als Job, Mylord, maar niet zo lydelyk. üwe Lordfchap kan my, met betrekking tot myne armoede, den drank der gevangenis toedienen ; maar in hoeverre ik uw lyder zou zyn, in het volgen van uwe voorfchriften, hiervan zouden wyze mannen een drachma van een fcrupel kunnen maaken, of veeleer een fcrupel zelf.

Lord.

Sluiten