Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL

2CJ

Falstaff. Een* wolf wakker te maaken is even erg als een'

vos te ruiken.

Lord-Opperrechter.

Hoe, gy zyt even als eene kaars, wier beft ge. deelte binnen uit gebrand is.

Falsta ff. Eene feeftkaars, Mylord, enkel fineer; maar zelfs indien ik zeide van wafch, dan zou myne geftaltede waarheid daarvan bewyzen.'

Lord-Opperrechter. Gy volgt den jongen Prins op en neder, als een kwaade engel.

Falstaff. Niet zo, Mylord, uw engel is licht; maar ik durf hoopen, dat een ieder, die my aanziet, my neemen zal zonder my te weegen,en evenwel kan ik u verzekeren in zeker opzicht, dat ik niet gangbaar ben; ik kan het zo niet zeggen. De deugd word zo weinig geteld in deeze fcbacheraars-tyden, dat wezentiyke moed een beerenleider geworden is; vindinf rykheid is eene tapfter geworden , en heeft haar vlug vernuft afgefloten in het opmaaken van rekeningen ; en allen de anderen gaaven, die aan den menfch behooren, zyn'gelyk de boosheid deezsr eeuw dezelve misvormt, geen oortje waerdig, G y, oude lieden, gy geeft geen acht op de bekwaamheden van ons, die jong zyn; gy meet de hitte van onze levers af naar de bitterheid van uwe gal, en wy, die in het voorfte gedeelte van ons leven zyn , ik moet het bekennen , wy zyn al raare fnaa. ken.

Lord-Opperrechter. ' Z;t gy uw' naam op de rol der jeugd, die voor oud opgefchreven is met allen de karakters der bejaardheid ? Hebt gy niet vochtige oogen , uitgedroogde handen, getaande kaaken , een' gryzen baard , afneemende beenen, en een' toeneemen.

den

Sluiten