Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL 227

Prins Hendrik. Wat zoud gy van my denken, wanneer ik nu fchreide *

Poins.

Ik zou denken, dat gy recht een Vorftelyka Huichelaar waart.

Prins Hendrik.

En dit zouden alle menfchen denken; engyzyt een gelukkige knaap, omdat gy juift zo denkt gelyk ajle menfchen denken. De gedachten van geen' menfch in de waereld volgen beter den broeden weg dan de uwe. Inderdaad, alle menfchen zouden denken, dat ik een huichelaar was. En wat beweegt uwen recht eerwaerdigen geeft om zo te denken ?

Poins.

Wat ? dat gy u getoond hebt als geheel onge< bonden, en als ingeënt op Falftaff.

Prins Hendrik.

En op u.

Poins.

Neen, neen. zo waar als ik leef, ik ftaa in een' zeer goeden naam, dit kan ik met myne'eigen ooren hooren, het ergft, dat men van my kan zeg. gen, is, dat ik een jonger broeder ben, en dat ik een knaap ben, die vaardig ter hand is , en deeze twee dingen kan ik niet verhelpen, dat wil ik wel bekennen. Zie, zie, daar komt Bardolph. Prins Hendrik.

Met den Pagie, dien ik aan Falftaff gegeven heb; hy heeft hem van my gekregen als een chriftenmenfcb, en , zie maar eens, of die dikke rekel her» siet in een' aap veranderd heeft.

pa VYFDE

Sluiten