Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. 239

de Domine van onze wyk by was, „ ontfang al.

leen de menfchen die gefchikt zyn, want, zeide hy, „ gy zyt in een' flechten naam; " nu ik weet wel, waarom hy dat zeide, „ en" zeide by,„

gy zyt eene braave vrouw, en waarvan men goe" de gedachten heeft , en wees daarom op uwe " hoede welke gaften gy ontfangt. Ontfang,' zei. de hy „ geene rufiemaakers." — Daar komt ook niet een in myn huif. Gy zoud u kruifen en zegenen; als gy gehoord had wat hy zeide. Neen ik wil geene rufiemaakers bebben.

F a l s t a f.

Hy is geen rufiemaaker, vrouw; op myne eer hy is een makke beursgaarder; gy kunt hem zo ge. ruft ftreelen als een windhondje; by zou geene rufie zoeken tegen eene kalkoenfche hen; wanneer zy flechts haare veêren tot teken van boosheid tegen hem opzette. Roep hem boven , Oppasfer.

De Waardin. Een deurwaarder , zegt gy ? Nu , ik wil voor geen' fatfoenlyk' man myne deur fluiten en ook niet voor een' deurwaerder; maar ik houd niet van rufie maaken , op myne eer niet; ik ontftel als ik het woord rufiemaaker maar hoor noemen. Voelt maar eens, vrienden, hoe ik beef, ziet gy wel ? ikverze? ker het u.

, Doll Tearsheet. Zo doet gy , Hospita.

DeWaardin. Niet waar ? Ja , waarlyk, wel doe ik', ik beef als een abeelenblad. Ik kan geene rufiemaakers dulden.

TIEN.

Sluiten