Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. 251

zyn wel twintig vermoeide en afgematte poften uit het noorden aangekomen ; en, toen ik hiernaartoe kwam, ben ik wel twaalf Officiers tegengekomen en voorbygereden, allen zonder hoeden, en fterk zweetende, die aan alle herbergen aanklopten , en allen naar Sir Johan Falftaff vroegen.

Prins Hebd rik. Byden hemel! Poins, ik gevoel, dat ik zeer te befchuldigen ben, omdat ik den koftelyken tyd zo nutteloos vertwift; daar het oproer eveh als een onweder, dat uit het zuiden, op vleugelen van zwarte dampen aangevoerd word, zich begint te ontbinden, en op onze ontbloote hoofden te druppelen. Geef my myn'degen en myn'mantel. Goeden nacht, Falftaff. (De Prins en Poins vertrekken.)

Falstaff. Nu komt het lekkerft beetje van den nacht aan, en wy moeten voort zonder daarvan te proeven. Al wederom geklop aan de deur? — Hoe nu, wat is 'er te doen?

Bardolph.

Gy moet op het oogenblik aan het Hof komen, Sir; daar flaan voor de deur ten minfte een dozyn Officiers, die naar u wachten.

Falstaff.

Betaal de muzikanten Bardolph. Vaarwel, Hospita, vaarwel Doll. Nu ziet zy, myne goede vrouwtjes , toe mannen van verdienften nagelopen worden, eenledigganger kan gaanflaapen, wanneer'er naar den werkzaamen man gevraagd word. Vaartwel, lieve vrouwtjes; indien ik niet al te fchielyk weg gezonden word, zal ik u nog komen zien, éer ik vertrek.

Doll Tearsheet. Ik mag nooit weder fpreeken , zo het hart my nietbarft van droefheid. Nu, lieve Jan, draag toch aorg voor uzelven.

Fal-

Sluiten