Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL.

265

Feebi.ï.

Ik wenfchte wel, Sir, datgy Wart mede had doen gaan.

Falstaff. En ik wenfchte-wei, dat gy een mans-fhyder waart, dat gy hem kond oplappen, en aan het gaan krygen. Ik kan iemand niet tot gemeen foldaat aanneemen, die de aanvoerder van zoveel duizenden is. Dit zy u genoeg, magtigfte Feeble. '

Feeble. Het zal my genoeg zyn.

Falstaff. Ik ben u zeer verplicht, eerwaerdige Feeble. Wie volgt aan?

Shallow. Peter Bulcalf, van de groene weide.

Falstaff. Ja, kom aan, laaten wy dat Bulkalf eens bekyken.

Bulcalf.

Hier ben ik, Sir.

Falstaff. Op myne eer, een knappe kaerel. Kom, teken dat Bulkalf tot dat het bulkt.

Bulcalf. Och, myn lieve Mynheer kapitein/

Falstaff. Hoe, bulkt gy al vóór dat gy getekend zyt?

Bulcalf. Och, Sir, ik ben een ziekelyk man.

Falstaff. Welke ziekte hebt gy ?

Bulcalf. Eene vervloekte verkoudheid, Sir; eene drooge hoail, Sir, die ik in's Konings dienft gekregen heb, toen ik op den dag van zyne krooning heb moeten de klok luiden.

Falstaff. Nu kom, gy zult in eene japon te veld trekken ;

R 5 wy

Sluiten