Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*63

HENDRIK de VIERDE

Bardolph. Het is goed, gaa maar wat aan een'kant, Feeble,

Het kan my niet fcheelen , een menfch kan toch maar ééns fterven; wy zyn aan de Natuur ééne dood verfchuldigd, ik wil zo lafhartig niet weezen; als dat myn lot zal zyn, is hetgoed;zo niet, ook goed. Geen menfch is te goed om zyn' Vorft te dienen; en het moog' dan weezen zo het wil, die van dit jaar fterft is toekomende jaar vry.

Bardolph.

Braaf gezegd, gy zyt een hupfch man. Feeble.

Neen, waarachtig, ik wil niet lafhartig weezen.

Falstaff , (tegen Shallow.) Kom aan, Mynheer, welke mannen moet ik hebben t

Shallow. Gy kunt 'er vier uitkiezen naar uw genoegen.

Bardolph , (tegen Falftaff.) Mynheer, een woordje. —— Ik Kan drie pond krygen van Bulcalf, en van Mouldy voor hun ontflag.

Falstaff. Gaa uw' gang, het is wel.

Shallow. Kom, Sir Johan, welke vier wiltgy hebben?

FalstaffKies gy voor my.

Shallow. Wel. kom aan dan , Mouldy, Bulcalf, Feeble, en Shallow.

Falstaff Mouldy en Bulcalf. —- Gy, Mouldy, blyf thuis tot dat gy afgefleten zyt voor den dienft; en gy, , Bulcalf, groei zolang' tot dat gy daartoe in ftaat zyt. Ik begeer niet een' van u beiden-

S h al.

Sluiten