Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

270 HENDRIK di VIERDE

was 'er een kleine vlugee knaap, die behandelde zyn geweer aldus, en aldus; dan was hy op het tooneel, en dan weder binnen, en dan weder op, en dan weder binnen; tah, tah, tah, zeide hy dan; bons, zeide hy dan, en dan ging hy weder weg, en dan kwam hy wederom. Ik zal zulk een' knaap van myn leven niet weder zien.

Falstaff.

Deeze knaapen zullen het welmaaken. God behoede u, Mynheer Shallow. Vaarwel, MynheerSi' lence. Ik zal niet veel complimenten met u maaken. Vaartwel , Heeren, beiden. Ik dank u , ik moet deezen avond nog twaalf mylen afleggen. Bardolph, geef kleederen aan de foldaaten.

Shallow.

Sir Johan, de Hemel zegene u, en geef u voorfpoed in uwe onderneeming, en fchenke ons allen vreede. Kom my een bezoek geeven als gy terug komt. Laaten wy onze oude btkendfchap vernieuwen ; het zou kunnen gebeuren, dat ik dan met u naar het Hof ging.

Falstaff.

Ik zou wel wenfchen, dat gy dit wilde doen, Heer Shallow.

Shallow. Nu, nu, een woord is een woord. Vaarwel. (Sballmxi en Silence vertrekken.)

Falstaff. Vaart wel , goede Heeren. —— Allons, Bardolph , breng dat volk weg. Als ik terug kom zal ik deeze Vreederechters opzetten. ïk heb dien Heer Shallow al door en door gekeken. Hoezeer zyn wy oude mannen onderhevig aan dit gebrek van liegen! Die uitgemergelde Vreederechter heeft tegen my van niets anders gefproken, dan van de losbandigheid van zyne jeugd, en van de vroome

feiten,

Sluiten