Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HENDRIK de VIERDE

ZESDE TOONEEL

Falstaff, Colevile.

Falstaff. Hoe is uw naam, Mynheer? wat is uw rangf en vanwaar zyt gy? als ik het vraagen mag. C o l e v i l e. Ik ben een Ridder, Mynheer; en myn naam ia Colevile van het Dal.

Falstaff. Zodat dan, Colevile uw naam is, de Ridder, fchap uw rang, en het dal uwe woonplaats. Wel nu , Colevile zal uw naam blyven, het verraaderfchap uw rang, en een kerkerhol uwe woonplaats, die diep genoeg is. Dus zult gy fteeds Colevile van het Dal blyven.

Colevile.

Zyt gy niet Ridder Johan Falftaff? Falstaff.

Een zo braaf man als hy zelf, Mynheer, wie ik ook mooge weeze. Geef u over, Sir, of zal ik nog om u moeten zweeten ? zo dit iaatfte gebeurt • dan verzeker ik u , dat het de traanen van uwe vrienden zyn, die zy over uwe dood (forten. Maak u derhalven op met vreezen en beeven, en roep myne genade aan.

Colevile. Ik denk, dat gy Sir Johan Falftaff zyt, en in die gedachte geef ik my aan u over.

FA lstaff.

Ik heb een geheel fchool tongen hier indeezen buik, en niet eene derzelve fpreekt eenig ander woord dan myn' naam. En indien ik een' buik had van minder belang,dan zou ik de vlugfte kae»1 van geheel Europa weezen, maar die buik,

die

Sluiten