Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29* HENDRIK de VIERDE.

gen, die nu op de been zyn, zich aan het juk der wettige regeering zuiien onderworpen hebben. Warwick. Ik twyfel niet, of uwe Majefteit zal deeze beide zaaken wel ras zien gebeuren.

K. Hen de ik. Myn Zoon, Humphrey van Gloucefter, waar ii de Kroonprins uw broeder t

Gloucestee. Ik meen, Mylord, dat hy naar Windfor gegaan is om te jaagen.

K. Hendrik. En met welk gezelfchap ?

Gloucestee. Dat is my onbekend, Mylord.

K. Hendri k. Is uw broeder Thomas van Clarence niet by hem ï

Gloucestee. Neen, Mylord, die is hier tegenwoordig.

Clarence. Wat verlangt Mylord myn Vader*

K> Hende i k. Niets meer dan alles goeds voor u, Thomas van Clarence. Hoe komt het , dat gy niet by uwen broeder den Kroonprins zyt ? Hy bemint u, Thomas , en gy verwaarlooft hem. Gy hebt meer deel in zyne genegenheid dan uwe andere broeders; boud hem in waerde, myn kind; gy zult daardoor altoos een groote bemiddelaar kunnen zyn tusfehen zyne Majefteit en uwe andere broeders, wanneer ik eens zal overleden zyn. Verwaarloos bem derhalven niet; draag zorg, dat gy zyne genegenheid niet verheft; en maak niet dat gy uit het voorrecht van zyne gunft raakt, door u flaauw jegens hem te toonen , of onverfchillig voor zyne begeerten. Want hy is goedhartig, wanneer men hem weet te gemoet te komen; by heeft altoos eene traan over voor het medelyden, en eene hand, zo open als

de

Sluiten