Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sof* HENDRIK di VIERDE

ftrekt dan hef uur van myne dood. Het bloed fchreit uit myn hart, wanneer ik in verbeeidelyke gedaanten my de losbandige dagen en de bedorven tyden voordel, die gylieden beleeven zult, wanneer ik eenmaal zal ruften by myne voorouders. Want, als zyne buitenfpoorige llgtmifleryën eens geen bedwang meer zullen hebben , als driften verhit bloed zyne raadgeevers zullen zyn , als magt en flechte zeden zich met eikanderen zullen vereenigen , o Hemel! met hoe fnelle wieken zal dan zyne neiging het uittartend gevaar en het bederflyk verval te gemoet treeden!

Waïwick. Myn genadigfte Lord, gy ziet verre achter hem; de Prins beftudeert alleen zyne makkers, even als eene vreemde taal, waarin het noodig is, wanneer men dezelve magtig wil worden, dat men zelfs de onbetaamelykfte woorden naziet en van buiten leertwelken, eens geleerd zynde, gelyk uwe Majefteic wel bekend zal zyn, geen ander gebruik hebben, dgn dat zy gekend en gehaat worden. Zo zal ook de Prins, volmaakter geworden door den tyd,zyne oude makkers,als onbehoorlyke uitdrukkingen verwerper», en het aandenken aan hen zal overblyven even als een patroon of maat, waar naar zyne Genade het gedrag van anderen zal kunnen afmeeten, en du» voorleden nadeelen in voordeden veranderen.

K. Hendrik. Het i» iets zeldzaams , dat de bye haar huisje verlaat, dat zy in een dood geraamte gemaakt heeft. ■» Wie komt daar aan, Weftmorelandï

N E-

Sluiten