Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

300

HEND RIK de VIERDE.

Gloucestee. Hy is merkelyk verergerd zedert dat hy het ge» hoord beeft.

P. Hendrik.

Indien hy ziek is van blydfchap, dan zal hy wei herflellen zonder geneesheer.

Warwick.

Maakt zo veel gerucht niet, Mylords. Genadige Prins, fpreek zacht ; de Koning uw vader heeft zich ter ruft gelegd.

Clarence.

Laaten wy in eene andere kamer gaan. Warwick, (tegen F, Hendrik.')

Behaagt het uwe Genade met ons te gaan? P. Hendrik.

Neen; ik zal my hier nederzetten om den Ko« ning te bewaaken. (Zy vertrekken allen, bebalven Prins Hendrik.) (Prins Hendrik vervolgt.) Hoe! legt de kroon hier op zyn hoofdfeutfen , die eene zo onruftige bedgenoote is? o Gy gepolyfte onruft.' gulden kommer! gy, die de poorten der fluimering voor zo menig een' flaapeloozen nacht wyd open houd , kan hy nu met u flaapen ' —— Maar hy ftaapt niet half zo zoet en gezond als degeene, die de wenkbraauw met een' groven hoofddoek omwonden, de gantfche nachtwaake doorfnurkr. o Opper* magt, wanneer gy uwen bezitter drukt dan draagt hy u als eene prachtige wapenrufting in een' heeten dag , die befchermt maar ook brand. Tegen de poorten van zyne ademhaaling legt een donzachtig vedertje, dat zich niet beweegt; indien hy ademde dan zou dit ligt en wigteloos donsje zich voorzeker beweegen. — Myn Vader I myn genadigfte Opperheer! —— Deeze flaap is wei vaft; ja, inderdaad, wel vaft; het is die flaap, welke reeds zo dikwyls eene fcheiding gemaakt heeft tusfchen deezen gulden' krans en zoveel Engelfche Koningen. Hetgeen ik u verfchul digd ben zyn traanen, en hartgrondige

droef.

Sluiten