Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. %^

nog versch zyn, en allen uwe vrienden, die gy tot vrienden moet trachten te behouden, eerft iedert korten tyd hunne angels en hunne klaauwen hebben afgelegd, door welker ftrenge uitwerking ik bevorderd ben, en naast welker vermoogen ik wel met recht de vrees van op nieuw onttroond te zuilen worden zou moogen plaatfen; weshalven ik, om dit te vermyden, eenigen van hen heb afgefneden, en voorgenomen een groot gedeelte naar het Heilig Land te geleiden; opdat de rust en het langduurig ftilzitten, hen niet te naauw in myne omftandigheden doe inzien. Ën daarom, myn Hendrik, laat het u tot eene gewoonte worden duizelige hoofden met bukenlandfche Oorlogen bezig te houden, op dat hunne werkzaamheid , verre van hier uitge» floofd , het aandenken aan voorige dagen mooge te niet doen. God vergeeve het my, hoe ik aan de Kroon ben gekomen, en vergunne u, dat gy dezelve in vreede moogt bezitten .'

P. Hendrik.

Genadigfte Vorft, gy hebt die gewonnen, gedra•gen, behouden, en aan my overgegeven, dus moet myne bezitting klaar en wettig zyn ,en daarom zal ik meer dan gemeene zorg aanwenden, om die tegen de geheele Waereld wettiglyk te verdeedigen. (Prinf Johan van Lancajler en Warwick komen terug.) K. Hendrik.

Zie, daar komt myn Zoon Johan van Lancafter. Lancaster.

Heil , vreede, en welvaart zy myn' Koning en Vader.'

K. Hendrik. Gy brengt my heil en vreede, zoon Johan; maar welvaart is , helaas ! met de vleugelen der jeugd weggevlogen, van deezen dorren en vermolmden Struik. Nu ik u zie, neemen alle myne waereldfche zaaken een einde. Waar is Mylord Warwick. P. Hendrik. Mylord Warwick! ....

Va K. HiS'

Sluiten