Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

346 HENDRIK de VIERDE

Pag. 276. Reg' 4. 3. (van onderen.) En bet zwaard van bet binnenlandfcb oproer tewydenf Het was een oud gebruik, hetwelk ten tyde der eerfte Kruisvaarten opgekomen is, dat de Paus het zwaard wydde van een' Veldheer, die ten dienst van de Kerk ten ftryde zou gaan. En op dit gebruik word hier door den Dichter gezinfpeeld.

Wabburton.

Pag. 287. Reg. 15-20.

Ik heb aan u in perfoon geene belofte gedaan. is leb niets beloofd, dan dat de bezwaaren, waarover gy u beklaagde, zouden uit den weg geruimd worden; «71 biervoor zal ik, op myne eer,recht chriftelyk zorg draagen. Maar wat u betreft, Oproermaakers, gy zult den verdienden loon ontfangen voor uwe muitery en fnoode daaden. Gy hebt zeer onbezonnen de wa. ■penen opgevat; gy hebt dwaaslyk uw volk herwaarts aangevoerd, en hetzelve nog dwaaslyker weder weg. gezonden. Laat de trommel roeren, en vervolgt den verfirooiden hoop ; de Hemel beeft deezen dag voor tns geftreden en niet wy zeiven. Laat eenige wacb. ten deeze verraaders geleiden naar bet doodblok, als let reebtmaatig flerfbed des verraads.

Het moet voorzeker by alle weldenkende leezers eenige veromwaerdiging verwekken.dat de Dichter deeze verfoeijelyke trouwloosheid dus flaauw heeft laaten doorflippen, zonder eenige blyk van berisping of verfoeijing in dit Tooneel te brengen.

Da. Johnson.

Pag. 291. Reg, 5,4, 3. (van onderen.)

Op myne eer , deeze jonge fcbraalbloedige knaap bemint my niet; en niemand kan hem aan bet lachen maaken.

Falftaff fpreekt hier als een eud ervaren kenner van de waereld. Hy zegt, dat de jonge Prins hem

niet

Sluiten