Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t L t S P £ t. 4*3

daarin, dat zy my bemint; op myne eer, dit is juist geen fterk bewys vóórhaar verftand;maar ook nie* voor haare dwaasheid , want ik zal ook afgryslyk op haar verliefd zyn.— Het kan weezen, dat men nog eenige misiyke fchimpfcheuten, en manke grappen op my uitfchiet, omdat ik altoos zo tegen het huwelyk geraasd heb; maar kan de fanaak niet veranderen f De menfch houd in zyne jeugd dikwyls veel van fpyzen, die hy in zyn' ouderdom niet verdraagen kan. Zouden dan kwinkflagen en punt. fpreuken , en meer dergelyke looze fcheuten van het verftand iemand van het pad van zyne neiging affchrikken » Neen, de waereld moet bevolkt wor. den. Toen ik gezegd heb, dat ik vryër wilde ftew ven, dacht ik niet, dat ik zo lang leeven zou rot dat ik getrouwd, zou zyn. (Beatrice komt op bet Tooneel.) Daar komt Beatrice; zy is waarachtig een mooi Meisje; my dunkt, dat ik eenige tekenen van verliefdheid in haar kan befpeuren.

Beatrice.

Men heeft my, tegen myn' dank, gezonden om h tot het middagmaal binnen te verzoeken. Bz neb ïCTO.

Ik dank u voor uwe moeite, fchoone Beatrice. Beateice.

Ik heb niet meer moeite genomen om deezen dank te verdienen, dan gy moeite neemt om my daar voor te bedanken ; indien het my moeite gekost had zou ik niet gekomen zyn.

Benedicto.

Dus geeft dan deeze boodfehap u genoegen r Beateice.

Ja, juist zoveel als gy op de punt van een mes kunt leggen, om eene kauw te doen flikken. * Gy fchyat geen' honger te hebben, nu, Mynheer, vaar dan wel. (Zy vertrekt.)

Benedicto.

Ohol „ Men heeft my, tegen myn' dank gezonCc a u den

Sluiten