Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S P E L. 421

Borachio. Dat is eene blyk.dat gy nog een nieuweling zyt; gy wist immers, dat het fatfoen van een wambuis, •f hoed, of mantel, niets doet tot den man. Conrado. Ja het is zyn opfchik.

Borachio. Ik fpreek van het fatfoen.

Conrado. Ja, het fatfoen is het fatfoen.

Borachio. Och loop, zo kan ik ook zeggen een gek is een gek ; maar ziet gy nu niet welk een doortrapte fchurk dat fatfoen is ?

Di Wacht, (ter zyde.) Ik ken die Sinjeur Fatfoen; by is al voor zeven jaaren een fchurk geweest; en hy gaat toch voor een ordentelyk man; ik ken hem by den naam. Borachio, (tegen Conradt.) Hebt gy niet iemand hooren fpreeken ?

Conrado. Neen , het was de windwyzer op het huis.

Borachio. Ziet gy niet, zeg ik nog eens, welk een doortrapte fchurk dat fatfoen is f Hoe zot hy allen de heethoofden tusfchen de veertien en vyf» en-dertig jaaren doet ronddraaijen ;hen nu eens fatfoeneeren ■ de als de foldaaten van Pbarao op de oude berookte fchilderySn; dan weder als Baal's priesters in een oud kerkglas, en fomtyds als de gefchoren Hercu» les in de morfige muurtapyten, daar zyne voorbroek zo dik verbeeld word als zyne knods.

Conrado. Dit alles zie ik, en ik zie ook, dat het fatfoen meer kleederen verflyt dan de man ; maar zyt gy piet even zot als het fatfoen zelf, dat gy uit uwe vertelling uitgeraakt zyt, om my van het fatfoen te vertellen'

Dd 3 Bo*

Sluiten