Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L X S P E L. 447

Borachio. ) Kom gy e€ns nief ' knaaP » laat iK u een woord in het oor zeggen; ik zeg u, dat men denkt, dat gy beiden valfche fchelmen zyt. Borachio. En ik zeg u, Mynheer, dat wy bet niet zyn. Stadsshout.

Nu , treed terug. By God , zy fpreeken

beiden uit één* mond, hebt gy gefchreven , datzy bet niet zyn ?

Kerkdienaar. Heer Stadsfchout, gy Haat den rechten weg niet in om hen te verhooren, gy moet de wachten roepen, die hunne befchuldigers zyn.

S t 4dsscboot.

Ta waarlyk, dat is de befte weg, laaten de wach» voorkomen. (Tegen de Wachten. ) Vrienden, ik beveel u in 's Prinfen naam, dat gy uwe befehul* diging tegen deeze lieden inbrengt.

Eerste Wacht. Deeze man , Mynheer. heeft gezegd, dat Don Joan, de Broeder van den Piim oen fchurk is. 5t*d«schout. Schryf, op, dat Prina Joan een fchurk is, wat I dat is eene openbaare perjune, eens Prinfen broe* der ^eo' fchurk te noemen.

Borachio.

Mynheer de fcbout

Stadsschout. Eilieve , knaap zwyg toch; uw gezicht bevalt my niet,1 dat zeg ik u

Kerkdienaar. Wat hebt gy hem nog meer hooren zeggen f

Tweede Wacht. Wat F Dat hy duizend ducaaten ontfangen bad van Don Joan om Juffer Hero valfchelfk te beicbuldigen.

Stab«-

Sluiten