Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

):( 3= X

bende en onzeeker (animo flutluantes zeggen de Latijnen (a)) de Apoftel Jacoisus fchildert ons den man met twee zielen, 3r^v%ov, den dubbelhartigèn, met zoortgelijke trekken C. i: 6, hij is gelijk aan een Zee-baar, die, van den wind gedreeven, cp- en neder-geworpen wordt (dvi^é^ivog xctt 'pivrigiptvor.) — En dan wijst mogelijk de tweede uitdrukking. 7rtp(<PepótAtvct, omgevoerd wordende door allerlei wind, op het buigend riet, aan den oever der ftroomen, dat, zweepend en buigzaam, zich naar alle winden feliikt. {ndXauoe C-n-o cLvi^ov <rxhmófA-ivcx;, het riet, door den wind ginds en herwaard bewoogen, Malth. itt 7. O)) Liever eevenwel zou ik de geheele fpreekwijs te zaamen als één beeld opvatten, en vertaaien het: dat wij niet geftadig dobberen, en rond geflingerd worden door allerlei wind van leering. En dan laat de teekening ons een verfchiet zien van eenige ligte fcheepjes, onbeballast en onbevracht, zonder eevenwigt of vastheid, dobberende op een hollen

ftroom,

O) Ziet Groncvius, Oif. L. 2 C 1.

O) De waare zin van wtf^t^tm fchijnt, zteh te laaten Wegjeepea tot alle draaijerijen : Salomo fchrijft Pred. 2: 12. ik wende mij om te zien wijsheid, ook onzinnighrdf.n , zoo vertaaien de onze: in het Hcbrecuwsch ftaat filSSin > daar

leezen de LXX, met een woord, aan het onze vcrwandfch-pt, x«v;(j»Pav, of naar het Haii.clfchriff van Alüus Manutius , *m<?s?i*; wij zouden zeggen: al het gezwaai en gezwenk der menfehen, de duizenderlei bogten. waar m zij zich wceten te wringen. — Hoe wel ftrookt die bctcekenis bij onzen text. — Eeven zoo hebben de Grieken Pree. 7: 7. de ■ onderdrukking zou een wijzen dut maaken 77.171* QSH vertaald i (rvtc^atria triftféfu «pór, het gekwel pngert een wijzen, maakt den verjlandigen tot een Draaijer. — Zulke menfehen zijn in aile gevallen of dweas oi haqthjk Jn*»d. —

Sluiten