Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X 73 ><

greepen, om een groot aantal te verfchalken. De eerfte werkt op het gros der menfehen, men doet zich voor als ijverige Proteftanten, en waarfenuwt tegen het toeneemen van Pausdom, Profelijienmakers en ExJefuiten, en verkrijgt hier door een merklijken invloed op een aantal braave Lieden, die waanen, dat hunne kerk in groot gevaar is , en dat onze nieuwe Hervormers de helden zijn, die voor dezelve waaken (a): een kunstgreep, waar van zich de Deïften in Engeland, reeds in het begin van deeze eeuw, met veel fuccès bedienden (è), terwijl men nergens de bewijzen van dat gevaar heeft kunnen aantoonen (O,

en

(a) Men vergelijke het werkje Over de nieuwe Wachters der Proteftantfche Kerk door den Superintendent S. L E. de Marees, waar in hun dit mafke wordt afgeligt, en waarvan het derde (tukje onlangs uit het Hoogduitsch vertaald, te Utrecht bij IJzerworst is uitgegeeven. tier fijne der fireek is, dat men het weezen van het Protefiantendom (lelt in het beftrijden van de Inrichting en plcgtighcden der Roomfche K ri,', eeven als of daar toe niet in de eerfie plaats behoorde het vasthouden aan die Leerftukken der genadige rechtvaardiging uit het geloof, en aniere daar aan verbonden, die de hoofd- inhoud zijn van alle de Geloofsbelijdenisfen der Proteftanten : En de haat onzer anders tolerante Neologen tegen de Roomfche Kerk is alleen geleegen in het ftandvaftig aankleeven van de Leer der Drie-éénheid, der waare Godheid van Christus, dar Erfzonde en der Voldoening, welke die Kerk met de Proteftanten gemeen heeft.

(bf Ziet den Herderlijken Brief, welken de Bisfchop van London aan zijne Diocefe fehreef, om dezelve tegen dit valfche Spel te waapenen, en die te London , in het jaar 1728 is uitgegeeven

(O Gelijk de Schrijvers der Algemeene Letter tij dingen en van de Aanteek. van Göttingfche Geleerden dikwils hebben beweezen. Hoe veel in tegendeel de poogingen der zoogenaamde Verlichters de Roomfche Kerk in de hand werken, is Nicolaï gedwongen te erkennen in zijne Reisbefchr. L. ï. p 146, waar hij ons verhaalt, dat een R. C. Geeftelijke in Rambergen hem zeide: „ de Proteftanten zullen wel dra n tot de Roomfchen overkoomen , en hebben geen ProteftantE 5 „ fche

Sluiten