Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X i°5 X

Cajafhas, C. 2 5: 63? Noemt hem MarCus niet Gods zoon, C, i: i? en Lucas Gods gtliefden zoon, C. 3: 22 en 9: 3,5? Geeft Petrus hem niet dezelfde Doxologie, die hij 1 Petr. 5: ji aan den Vader geeft? C. 4: 11, wien toekoomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid? en niet min fterk, 2 Pet. 3: 18: Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid ia)? noemt hem Jacobus niet, onzen heere Jefus Chriflus den Heer der heerlijkheid , C. 2: 1 ? en bedreigt Judas, (niet de Ifcariothj met zijne tockoomjle niet de godlooze zondaars, die harde woorden tegen hem gefprooken hebben, vs. 15? en beflvnt hij zijnen brief niet, met heerlijkheid en majefleit en kracht en magt te verëeren in Hem, wien hij den alleen wijze

God en Zaligmaker noemt, vs. 25?) „Zijne

tweede (zoogenaamde) Theorie fpreekt, ja, van „ Christus op een verheeven toon, maar is gefchikt voor de Pijihagorisch-platonifche jooden, en onder „ die reekent hij JoXnnes en den fchrijver aan de „ Hebreen: die Jooden (zegt hij) geloofden aan de „Sephiroth, en telden daar onder den Logos, de „ waarheid, hel licht, het leeven, enz. en Joannes „ leert, in hunnen fmaak, dat niet veelen, maar dat „ Christus dit alles is." — ( Doch waarom zegt hij dan, het woord was God? den eeniggebooren zoon, die in den fchoot des Kaders is? waarom fpreekt hij van zijne gelijkheid aan den Vader ? zijn aanwezen voor Abraham, 'die zijnen dag verlangde? van het geeven aller dingen in zijne handen ? van zijn vleesch voor 'sweerelds leeven? waarom verzeekert hij, dat die in hem gelpoven niet verhoren gaan ? dat niets hen uit zijne hand zal rukken ? dat hij hun den geest zou

zenia) Men vergelijke over deeze plaatfen Wolfius, in Cu~ ris, en zie de uitvluchten beantwoord door mijnen zaligen Leermeefter, de Moor, Cvrnm. Perpst. T. 1. p. 837. G S

Sluiten