Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X "5 X

'wen, indien wij boven hen eenige onderfcheidendt „ Genade hebben, is het aileen, dat wij de Leer van

„ ]E-

Natuur beginnen en in de Natuur eindigen, en eene Zedelijke Wet maaken, naar de gefteldheid der Hoven en Volkeren, zonder Wetgeevende of Voorzienige Godheid, of die, verlichter dan het Gemeen, wel deeze of geene waarheid ontdekten, maar zonder moed , om het volk te verlichten , en zonder gcreegcld of volkoomen plan, cn die alle te zaamen zoo bevooroordeeld, zoo ongelijk, zoo gebrekkig, en Zoo inconfequent zijn, dat Paulus, met reden , den tijd van hunnen grootften bloei noemt tijden Van onwetenkeid > Hand. 17: 30. — Mosheim heeft tegen Cudworth , en voor hem reeds Clericus tegen Grotius en Thomasius, beweezen, dat, bij de Schijn-gelijkheid der uitdrukkingen , de gevoelens der Wijsgeeren van die der Chriftenen hemelsbreed verfchillen: in onzen tijd nog heeft Lavater billijk onderfcheid gemaakt tusfchen den niet deelneemenden God der Wijsgeeren en den liefdevollen God der Chriftenen, en toen prees hem de Algem, D. Bibl. T. 37. p. 304; zelfs nog laater sleedt het Basedow , maar toen was men veranderd van toon , T. 58, p. 42. De God van Aristoteles fchijnt flechts de eerfte beweeging in dc ftof, v/erkloos en gevoelloos; die der Stoïcijnen de weereld-ziel aan het Noodlot onderworpen. Pijthagoras leerde wel acyjt tut a7c«.-i}ui fmii*, dat de éénheid het beginzel van alles was, (maar wie bewijst dat hij 'er de Godheid mede meende?) bij Diog, Laart. L. -8. Segm. 25, die, in Weerwil van de geheimzinnige Monas r onder de Goden van Pijthagorus i.^ione %c-j a-eA^i, *. 7. ^. Zon en Maan en de overige Sterren telt. Seneca Qüiejl. L. 2. O. 45 , zegt wel, dat alles naamen van den zelfden God zijn, Omnia ejufdem Dei nomina funt, varie utentis fua potejlate, maar zijn ééne God is op zijn best zeekere Ratio opifcx , een Natuurkracht, Kunstvormig vermoogcn, Ayiiitivpï'c; , zo niet de weereld'zelve. Socrates fpreekt dikwils v-an t» fl-£Ï«>, de Godheid, maar hij verftaat de Godheid in het gemeen, althands niet zonder ondergoden , zijn bevel aan Crito is allen bekend, wel is waar, dat men aan Vader Tertullianus , in Apol. C. 14, Ed. Haskavp,/>. 144, honderdmaal heeft nagezegd, dat Hij gedood is, quia Dros dejiruebat, om dat hij den dienst der Goden afbreuk deedt, maar men noeme ééne eenige plaats, daar of Socrates, of Xenophon zijn Leerling, dui lelijk zeggen, dat ''er niet veele Goden, maar flechts één God is, of daar zij bekennen van H. 2 de

Sluiten