Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijzen bij de Arrianen en Socinianen, en week a; verder en verder af: eindlijk werdt men zelve Natu-» raliften, die men beftrijden en winnen zou, en behieldt nog wel den naam van Jesus, maar alleen als den beften der menfchen,' den weldaadigften Wijsgeer, en herfchiep hem, ten laatften, in den grootften Leeraar van den zuiveren Natuurlijken Godsdienst. Zoo noodzaaklijk is de oude les in het Heiligdom: koopt de waarheid en verkoopt ze niet. Intusfchen zijn 'er gecne gevaarlijker vijanden, dan die het Chriftendom beftrijden onder voorwendzel van het zelve tegen de Naturalifterij te verdeedigen, en, om de eenvouwigen te misleiden, veel fprceken van godlijke Openbaaring, die men middeiijki noemt, cn waar door men niets anders verftaat, dan „ dat God, door zij„ ne gewoone Voorzienigheid, de menfchen op nut*

w ven nu geheel tegenfprak, is daar In aanftonds eene mis„ daad? Het gedrag van Pilatus moet de eigcnfchap niet „ zijn van eenen eerlijken cn waaren Geleerden: nog zijn „ altcfls Scuri-ctt 0pit-i3ii, de herhaalde overweegingen de bes„ te. Afweezigheid van Geest niet te erkennen voegt aan mijns gelijken niet. Van EtiASMpn, Luther en Melanch„ ton af heb ik Voorgangers in eene geleerde oprechtheid en „ vrijwillige verandering van voorige gevoelens. Geen Ze„ ve.ihoofdige Luther , geene Antilógta Lütheri, Tege::„ firijdigkeden van Luther " (oude Pasquillen op dien grooten Man) „ geene befchuldigingen van geduurig gemaakte „ veranderingen hebben Luther en Melanchton in ernst ,, verontrust of hun eenige fchaamtc aangejaagd ". — Cicero febreef reeds wel in zijnen tijd : Cujusvis hominis efi errare; nullius , nifi injipientis, in errore perfeverare. Philip. J2. C. 2. Vader Augustinus gaf hier een loflijk voorbeeld van, door Twee Boeken QRetraftationes~) Herroepingen te fchrijven . die men in het 6de Deel zijner Werken vindt. Ed. Colon. 16T2. — Hoogstwenfchelijk was het, dat men de Lijften vermeerderen kon van J. H. Fausting, de Retractationibus Theologorum in rebus fidei, Witteb. 1711. mén vergel, den hooggel. Hofstede , Bijzond. Naleez. T. 3. p. 1-14.

Sluiten