Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X 198 X

Hoe zeer moeten wij allen gezet zijn op haare verdeediging! cn met hoe veel reden zeide ik, dat deeze Leeriïukken gewigtig waren aan elke ziel, die voor de eeuwigheid gefchapen is!

(3. Maar ik heb ook gezegd, dat zij allcrgewigtigst zijn voor alle en elke Maatfchappij, die Volks-geluk waardeert (<3). Elke Maatfchappij is als een zeedelijk per joon, QPerfona moralis~) en haar geluk hangt af van de eendragt, de orde, de gereegelde plaatzing en bepaalde werking van alle haare Leden. In geene Maatfchappij is 'er e'e'n ftand of rang ontbeerlijk, de Daglooner is zoo noodig als de Staatsman, de Dorpelwachter als de Prielter, de Sleeper als de Koopman, de Handwerker als de Geleerde, de Matroos als de Stuurman, de Soldaat als de Bevelhebber en wederzijds ; en dan eerst kan men zeggen, dat eene Natie welvaart, wanneer aan de ée'ne zijde, door goede wetten en menschlievende behandeling elk Lid der Maatfchappij, als mensch erkent wordt in Wet en Recht met alle anderen gelijk te zijn, maar te gelijk: als Lid der zamenleeving, de zoo nuttige ongelijkheid, de orde, de ondergefchiktheid, en daar door het blijven

van

00 Op dit Stuk verdient vooral geleezen te worden: Ernstige en trouwhartige waar/chouwing aan de Grooten deezer Weereld, voor hei gevaar van eenen gehee,'en ondergang , waar mede de Throonen en Staa'en en het Chrijiendom bedreigd worden door het valfche Leerfielzel der hedendaagfche Verlichting , en de vermeetele vorderingen eeniger zoogenaamde Philofophen , geheime Genootfchappen en Seden. Welk fchoon (tuk dit jaar is uitgegeeven, en, ten bewijze van het algemeen genoegen, waar mede het, naar waardij, ontfangen is , reeds verfcheidenmaalen herdrukt is te Amfierdam bij Brave, en waar van men, met de hoogde waarfchijnlijkheid, voor Schrijver houdt den braaven Heer Hoffman , Roomscbgezind Hooglceraar te Wenen 4 die ook de Schrijver is van het Weener Zcitfchrift. —Schande genoeg, dat braave Roomschgezinden dc Weereld moeten waarfchuwen voor flechte(zoogenaamde) Proteftanten; doch men leeze 1 3°an, 3: 19. ~*

Sluiten