Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X 312 X

„ kan 'er geene genoegdoening, geene euangelifche „ heilörde, geen wonderwerk zijn." maar waarom

niet ? ook dit bewijst men niet. Eeven eens :

„ God kan niets doen, dat ftrijdig is met zijne goed„ heid." — Het is zoo, maar wat nu ? — „ Dan „ kan hij niet toelaaten, dat 'er Duivelen zijn, die „ons verlokken;" maar waarom toch minder, dan

dat 'er menfchen zijn, die ons verleiden?

Voor een anderen vertoont men den Criticus, den Oofterfchen Oudheid-kenner, maar behandelt de Heilige Boeken op eene wijze, die zich de ftoutfte Cntiek nooit omtrend Homebus of Horatius veroorloofd heeft (a), ,, de Oofteiiingen beminnen dc „ beetdfpraak." Goed; maar is daarom alles beeldr fpraak? wanneer men de Apoftel - leer, Chriftus is tenmaal voor de zonden geflorven, hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, verklaart, Christus heeft gepredikt, dat God onze zonden, zonderJlraf, vergeeft, kan dat oofterfche beeldfpraak heeten ? — Zou men het gelopven kunnen, dat, Vqltaire, in den fmaak der

nieu-

f» Om den Canon te beftrijden, plagt Semler -te beweejen, dat men in dc eerile Eeuwen volftrekt geen gebruik maakte van de Critica, en maar alles, wat op naam der Apoftelen ging, zonder onderzoek, aannam: maar hoe kwam het dan , dat men dé Pfeudo-Euangelia verwierp? of, dat men zommige brieven der Apoftelen, niet, dan na dat alle twijfelingen opgelost waren, aannam? — bij Vader Hilarius vinden wij' eene Critifche Grondregel, die de Neologen wel enthouden mogten: Optimum esje Leaorem, qui dictorum inielligenliam, expedat ex diais potius quam inponat, & _ retulerit magis, qu.am attulerit, neque cogat id videri disis contineri, quod ante teSionem praefumferit intelligendum . dat is : Hat het de bejie Leeraar is , die het verftand der fpreekwijZen uit de gezegdens krijgt, maar ze 'er niet aan geeft, en %r den zin uithaalt, maar niet in brengt, en geene moeite doet, om de woorden dat te doen zeggen, het geen hij voor de leezing reeds vastftelde, dat zij zeggen moeiten. De Tm nitate, L, i. C. 18-.

Sluiten