Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X 210 X

van een man, die onbefchaamd genoeg is, om dé braave Waldenfen als Unitarii te befchuldigen, in weerwil hunner oude Geloofsbelijdenisfen, die nog overig zijn, en van Sülpitius Severus, die getuigt, dat, door den dienst van Hilarius, Frankrijk van de befmetting der Arrianerij bevrijd bleef (a)? — van een man, die de plaatfen van Hegesippus , Eusebius en anderen, die hij aanhaalt, opzettelijk verminkt (&)? en zoo los is, dat, als Athanasius eene teegenwerping der Arrianen voorftelt en beantwoordt,

bij

(V) Hoe verward Priestleij van de braave Waldenfen fpreekt, zie men L. i. C. u. p. 128, en vergelijke de Voorreden voor de Prijsverhandel. tegen Hem, waar dezelve meefterlijk verdeedigd worden uit een Stuk van de noble Leigon. Anno 1100, te vinden by Leger, Hifi. Generale des Eglifes Evangeliques des Kalles de Piemont, ou Vaudoifes , Leid. 1669, en vertaald door M. Oevering, 1671. L. u p. 26, en uit eenen Catechifmus, ook van Anno 1100, ibid. L. I. p. 58. In dat zeifde Voorbericht, p. 19, 20, zie men beweezen ,• hoe fchandclijk Priestleij hunne Geloofsbelijdenis van Anno 1120 vervalscbt, die men vindt bij Leger, L. 1. p. 92, bet geen L. C. in Not. beveiligd wordt uit de Confesfie der Taboriten, door Lukawitz den Waldenfer, Anno 1431, te vinden bij Lijdius, in zijn werk, genaamd Waldenfis, dat, Anno 1617 en 1618, hier te Rott. en te Bord is uitgegeeven, in t\vee 8vo Declen. — Zijnde dat geheele Voorbericht ovcrwaardig geleezen te worden.

O) Men zie dit beweezen door Prof. Velingius, Prijsverh. p. 41 &c. Laat ik maar één ftaal opgceven: Pag. 36" zegt Priestleij , dat Atiianagoras den pèrfoon van Christus noemt het eerfte voortbrengzel van den Vader, niet altoos weezenlijk voortgebragt. En ondertusfehen zegt hij Legat. pro. Chrijlianis , pag. 10. Beeze is de eerstgeboorene des Vaders, niet als geworden; maar, n po'.xboi, voortgekoome'n : en hij verklaart het Ibid. zeggende: Niet gelijk de Dichters gevoelen wij van God, en den Vader en den Zoon; maar de Zoon van God is de Alyos van den Vader, in recht en iri Kracht, want tot hem, cn door hem, zijn alle dingen geworden ; naardien de Vader en Zoon Eén is , zijnde de Zoon in den Vader, en de Vader in den Zoon, in de éénheid en kracht des Geeflcs,

Sluiten