Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij verdeedigen, is van een verheevener zoort; alle zijne Leerftukken maaken, uit haaren aart, invloed op de zielen: Belangrijk voor den onfterflijken Sterveling, geeven zij aan het hart warmte, gevoel, leeven en bedrijvigheid: geen e'e'n Leerftuk is 'er in het echte Chriftendom, dat niet, of onmidlijk door zich zei ven, of meer middelijk, door verband met andere, drangredenen tot, of beftuuringen in eenen heiligen wandel geeft, en, liefde Gods en des Naaftens, met eigen troost, bevoorderende, dienstbaar is aan ons waar en eeuwig geluk. Geene Rechtzinnigheid erkennende,

dan

dezelve enkel, immers meest befchouwend, beweeren het zeilde in Apolog. Conferf. p. 17, 18. Is het nu wonder, wanneer men altoos en alleen van beoeffening cnpraaijk fpreekt, dat men dan zoo gcmaklijk de menfchen tot Naturalisten of Enthufiaften maakt, ten minden tot Onverfchilligen omtrend de waarheden, daar 'er zoo veelen zijn , die alles goed keuren , als het maar den naam en hetvoorkoomen vanpractijk heeft, en wien alle Kennis en Onderzoek te moeilijk is, en daarom veracht? Zou daar toe niet te veel aanleiding geeven de gewoonte van zommige Godgeleerden, om, of uit gemak, of om de algemeene toejuiching, de waarheden en de Bijbeiüudic zeer ter loops of verward te behandelen en alles in een praaicalen fmaak te gieten, op welke de vermaaning past, die Herder aan dc Jonge Godgeleerden geeft, Brieven over de Godgeleerdheid, T. 4. p. 302, Laat U niet van die geenen vervoeren, die U luiheid voor rust, niets voor iets, " verkoopen, en U altoos toeroepen: Christus lief hebben " is beter dan alles te-weeten; Alles zal geen mensch willen " wceten, en alleen een dwaas zal het gelooven te weeten , " maar met niets te weeten en niets te leeren, krijgt men " Christus niet lief, anders was elk onweetende de groot" fte liefhebber van Christus ". — Wij houden het dus met de Cenfura praef. Confesf. Remonfir. § 31 , H. AlTING, Theol problem. nov. Loc. i. probl. 4. p- 15 en K I urretin Theol. Elenct. L. 1. Quaest. 7. § 5, waar duidelijk geleerd wordt, dat wie dc befchouwing van de praBijk. of de praètijk van de befchouwing affcheidt, beide dwaalen en dat de Godgeleerdheid is Theoretico-pradica, dat is, beide te gelijk in zich vervattende.

Sluiten