Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X ?43 X

Zo waarachtig is Pf. 72: 11. De Koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, en dt Natiën Hem dienen.

(3. Maar,

wordt door het Edict gedwongen om rechtzinnig te zijn , maar alle Leeraars worden genoodzaakt, om eerlijk te weezen. Zij werden beantwoord onder den tijtel: Wat is geweetens-Vrijheid ? maar zoo onbedaard en onnaauwkeurig, dut zij, met veel fchijnvoordeel, in een Tweede Stuk vcrdeedigd werden : Beter zijn dc Vrijmoedige bedenkingen beantwoord door Profesfor Weber te Wittenberg, onder den Tijtel- Wat heeft men van het Edict des Konings te denken? 1788. Bij het opmaaken zendt men mij nog een nieuw Stuk, in dit jaar te Berlin uitgekoomen, onder den tijtel van Te recht wijzing des Schrijvers der Vrijmoedige bedenkingen, waar in bijzonder is de Indructie des Konings van den 14 Meij, voor een bijzonder committé onder den naam van ÈxaminationsCommisfie, welke de onderhouding van het Religie-Edict ten hoofddoel heeft. p. 20. — Een ander, Over Opklaaring , twee f ragmenten, Berlin 1788 beftreedt het Edict op de onbezonnenftc wijze, alle Rechtzinnigen zijn daar dom-ooren, booswigten of huichelaars: Geeftig en ad rem beantwoorde Mem de Rijksgraaf van S. onder den tijtel: Aan den Schrijver der fragm. over Opklaaring f Berlin 1788. cn mcefterlijk werdt hij beantwoordt in de Apologie van het Kon. Pr. Rel. Edia, Francf. 1788. Zeldzaamer was eene Verdeediging van het Kon. Ed. te Halte 1788, door Prof. Jo, Sal Semler, die voorheen (gelijk ik boven gezegd heb) eer hij met Bahrdt gefchil hadt, lang geen Voorftander was der Sijmbolifche boeken, en den Canon, niet alleen door het verwerpen van'veele boeken des O. en N. T. maar ook door zijne zoogenaamde Exegetifche en Critifche gronden, zeer onzeeker maakte; men heeft, Een Antwoord van een Proponent aan Dr. Semler, en Wederantwoord , Halle 1788. Nog zeldzaamer , dat het Edict vcrdeedigd werdt door den voorheen reeds meergenoemden Doétor Teller in zijne Welmeenende herinneringen enz maar deeze verdeediging is alleen in fchijn , terwijl hij het in de daad zeer verdagt maakt. 2. Dat onder de tegenfehrijvers geen fchandlijkcr is, dan de Schrijver van den Commentarius over het Kon. Pr. Rel. Ed. aan zijn Excell. den Hr. Staatsminifler van Wöllner , Amjlerd. 1788. Daar leezen wij, pag 3, Q 2 deeze

Sluiten