Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DEN TAMANOIR, DE TAMANDUA, enz. 105

is, en zeer naby komt aan het geflagt der wezeltjes of marters: van die zes •gewaande foorten derhalven, in het Kabinet van Seba bewaard, zyn 'er reeds maar vier, dewyl de ysquiepatl, die de vyfde uitmaakte, geheel niet tot de miereneeters behoort, en nergens van de zesde gewaagd wordt, ten zy de fchryver daar ftilzwygend den pangolin (£) onder heeft willen betrekken, het geen hy niet zegt in de befchryving, welke hy elders van dit dier geeft; de pangolin voedt zig met mieren, hy heeft den fnuit verlengd, een natiwen bek, en zonder eenigen zigtbaaren tand, de tong langen rond; kenmerken, die hem met de miereneeters gemeen zyn; maar hy verfchilt 'er van, gelyk ook van alle de andere viervoetige dieren, door een kenmerk, dat hy alleen heeft, namelyk van het lighaam bedekt te hebben met groote fchubben in plaats van hair: daarenboven is 't een dier van de heetflc klimaaten der oude Wereld, daar integendeel de miereneeters, welker lighaam met hair bedekt is, niet dan in de Zuidelyke deelen der nieuwe Wereld gevonden worden: daar blyven derhalven maar vier foorten over in plaats van zes door Seba aangekondigd , en van die vier fooiten is 'er maar een uit zyne befchryvingen kenbaar, te weeten de derde van die, welke wy hier befchryven, dat is te zeggen , die van den miereneeter, waar aan Seba , wel is waar, niet dan eenen vinger aan yderen voorften voet geeft (V), fchoon hy'er twee heeft, maar die, in weerwil van dit verminkt kenmerk, geen ander dan onze miereneeter zyn kan; de drie andere zyn zo flegt befchreeven, dat het onmogelyk is dezelve tot hunne waare foort te brengen: ik heb geoordeeld deze befchryvingen in haar geheel te moeten bybrengen, niet flegts om te bewyzen 't geen ik zeg, maar ook 0111 een denkbeeld van dit groot werk van Seba te geeven, en om den leezer in ftaat te ftellen van zelf te beoordeelen, welk vertrouwen in dezen Schryver is te ftellen: het dier, 't welk hy aanduidt onder den naam van tamandua murmecnphage Amèrique Tom. I. pag. 60. en waarvan hy de afbeelding geeft PI. XXXVII. ». 2. kan niet tot een van de drie, die hierin aanmerking komen, gebragt worden; men heeft, om daar van overtuigd te worden, de befchryving van den Auteur flegts te leezen (d). De tweede,

(Z>) Dit is da naam , welken wy aan den fchaalof fchulpagtïgen hagedis zullen geeven.

(c) No. 3. Tamandua ou Coati d'Amèrique Manche differente. ,, Dit dier is geheel verfchillcnd „ van het vorige (hy verftaat hier door dat van PI. XXXV1L fig. 2. zie de volgende noot) „ de kop van 't zelve is veel korter en de ooren veel kleiner, de oogen wat grooter en het „ onderft gedeelte van den fnuit iets langer: de tongen gelyken meer naar malkandéren- de „ eene en andere is lang en fmal, en wel gefchikt om mieren te vatten en door te flikken-

de ichouders zyn breed, het lighaam kort en dik, de voorfte voeten vertoorn een vinger met „ een breeden en krommen nagel gewapend: de agterfte beenen en voeten gelyken naar die var* 3, een aap; zyn hair witagtig en wollig is korter dan dat van den voorgaandcn; het is eveneens „ met zyn gekroeften ftaart; dit dier wordt voor een der zonderlinglte van zyne foort gehou„ den: de Surmaamfcbe Ethiopiërs noemen hen coali, en vertellen, dat zy gevat wordende „ zig derwyze in de rondte rollen, en hunne voeten zo vaft in malkanderen flaan dat zo zv „ zig niet van zelve herftelden, het onmogelyk zou zyn dit door geweld uit te werken - zy „ fterven 111 een oogenblik, zo men hen in brandewyn. of in den geeft, welken men ki'ldu„ vel heet, dompelt". Seba Vol. I. pag. 60. 61. PI. XXXVII. fig. 3.

(d) No. a. Tamandua murmecophage d:Amèrique. „ Dit dier is zeer gemeen in de Weft In8, dien, maar wy hebben'er nooit een gezien, dat uit de Ooft-Indiën was ovtrgebragt, noch

Sluiten