Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B-ES C HR Y VING V AN DE T A TO US. 165

glad; de blaas fcheen my toe groot te zyn; ik heb geene hoornen aan de lyfmoeder gezien; zy is my voorgekomen veel naar die der aapen te gelyken, en flegts trompetten te hebben; de eyerneften zaten flegts op den afftand van eene lyn van de lyfmoeder af.

Het voorhoofdsbeen van het geraamte (Pl. XXXIX) van den cachicame is zeer groot; het beflaat meer dan een derde gedeelte der lengte van den geheelen kop van het eind van den fmoel af tot aan het agterhoofd; ook zyn de neusbeenderen naar evenredigheid veel korter dan die van het varken: fchoon het voorhoofdsbeen geen uitfteekzel aan den oogput heeft, zyn egter de randen der oogputten niet dan een vyftiende gedeelte van hunnen omtrek afgebrooken: het onderft kaakbeen is zeer dun en van voren door eene groef geëindigd in de gedaante van eenen lepel; het knokkelwyze uitfteekzel is zeer klein; het kroonswyze uitfteekzel heeft meer uitgeftrektheid, en daar zit onder het knokkelwyze uitfteekzel een derde uitfteekzel dat naar agteren gerigt ftaat.

De cachicame heeft geene fny-norh hondstanden; de baktanden zyn in het geraamte dat ten onderwerpe voor deze befchryving gediend heeft, ten getale van agt-en-twintig voorhanden, veertien in elk kaakbeen, en zeven aan elke zyde; maar by een ander onderwerp heb ik een-en-dertig tanden gevonden , zeftien namelyk in het onderft kaakbeen, agt aan elke zyde, agt in de linkerzyde van het bovenft' kaakbeen, en flegts zeven in de regterzyde: de zevende der linkerzyde, was kleiner dan de zesde en de agtfte, en daar was minder tulfchenwydte tuffchen die tanden dan tuffchen de anderen , zodat de zesde der linkerzyde ten naaftenby tegen over den zesden der regterzyde zat, en de agtfte der linkerzyde tegen over den zevenden van den regter kant; het fcheen dus door de plaatfmg en de kleinheid van den zevenden tand der linkerzyde dat hy overtallig was; doch wy zullen in het vervolg van deze befchryving andere onregelmatigheden zien in het getal en de plaatfmg der tanden van de tatous: die van den cachicame zyn kort en byna rolrond, uitgenomen de eerfte die plat zyn op de zyden; deze hebben flegts eene enkelde punt aan het eind dat buiten de tandkas uitfteekt; de andere tanden hebben twee punten; het eind dat in de tandkas vaft zit eindigt in eene holronde zyde, en heeft geene wortels: de eerfte tanden van boven zyn in het geraamte, waarvan wy hier fpreeken, op negen lynen afftand van het einde van den neus geplaatft, en de eerften van onderen op zeven lynen afftands van het eind des onderften kaakbeens.

Alle de wervelbeenderen van den nek zyn- zeer breed; de dwarfche uitfteekzels van het eerfte wervelbeen, in plaats van zig, gelyk by andere dieren , ter wederszyden uit te ftrekken, fchynen naar omhoog geboogen te zyn. en zyn zeer kort: het doornagtig uitfteekzel des tweeden wervelbeens is groot,, ftrekt zig naar agteren uit en bedekt de vier volgende wervelbeenderen, dia geen doornagtig uitfteekzel hebben, even min als het zevende.

Daar zitten elf wervelbeenderen in den rug en elf ribben aan elke zyde v namelyk vyf waare en elf valfche; alle deze ribben zyn breed en plat, voor-

X 3

Sluiten