Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

DE NATUURLYKE HISTORIE,

halven duim lang; hy was een weinig geboogen naar den omgeboogendarm (C) toe; deszelfs einde was een weinig dikker dan het begin: het gedeelte CD) van de darmbuis, dat zig van den blindendarm tot aan den aars uitftrekte, was zeer kort; dezelve was flegts eenen duim agt lynen lang terwyl de dunne darmen flegts agt duimen en een halven lang waren van den portier af tot aan den aars: dus bedroeg de lengte van de geheele darmbuis, den blindendarm niet mede gerekend, tien duimen en twee lynen: de vliezen der darmen hadden flegts zeer weinig dikte.

De lever beftont uit vier kwabben; de twee grootften waren de eene ter regterzyde en de andere in het midden geplaatft, en de beide anderen ter regterzyde , de eene naar voren en de andere naar agteren; de agterfte was de kleinfte van allen, en omvatte het voorfte gedeelte der regter nier; de middelfte kwab was in twee ongelyke deelen verdeeld door eene kleine uitranding, in welke het galblaasje geplaatft lag; het kleine ftuk lag aan de regterzyde ; de fchoorband zat aan de voorfte zyde van het dikfte ftuk vaft.

De milt (Pl. HV\ fis,. 4) hadt drie takken van ongelyke lengte; de langfte tak (A) ftrekte zig fchuinfch naar voren ter zyde van de maag heen, gelyk de milt van andere dieren met gevingerde voeten; de kortfte tak (B) was met den langen tak in een regte lyn naar agteren gerigt; die tak (C) die eene middelbaare lengte hadt,ftrekte zig van de linker-naar de regterzyde fchuinfch van om hoog naar om laag, en van agteren naar voren uit.

De regter nier zat zo veel meer naar voren dan de linker als haare geheele lengte bedroeg.

De regter long beftont uit vier kwabben op dezelfde wyze gefchaard als by de meefte dieren; de middelfte kwab was byna even groot als de voorfte en de agterfte, maar zy fcheidde dezelve niet ten vollen van malkanderen af, want zy waren aan hunnen wortel vereenigd; daar zat flegts eene enkelde kwab aan de linker long.

De mond van de voorhuid zat tegen den onderkant van den aars aan geplaatft , zodat het roedehoofdje onder den regtendarm zat: het roedehoofdje hadt meer lengte dan de roede, en beftont uit twee rolronde takken, die naar agteren gerigt, en beiden naaft malkanderen tegen den regtendarm aan geplaatft, waren; dus ftrekte de roede zig naar voren uit langs de goot welke door de fchaam-en zitbeenderen gemaakt wordt: de pisbuis was zeer lang en zeer boezemagtig: daar zaten aan elke zyde drie ronde lighaamen; daar was een fteeltje dat aan den knoop van de pisbuis uitliep; deze ronde lighaamen zyn my toegefcheenen de zaadblaasjes te zyn: de zaadballen waren byna rond; de afvoerende vaaten hadden weinig lengte; maar alle deze deelen waren mismaakt en hard geworden door de werking van den wyngeeft, waarin het dier langen tyd was bewaard geworden.

De mannetjes marmofe, welks afmeetingen in de tafel der uitwendige deelen zyn opgegeeven, hadt het roedehoofdje en de roede buiten den aars en de voorhuid gelyk in den ftaat van oprigting der roede; de pisbuis eindigde aan de plaats van de vaneenfplyting van het roedehoofdje , maar zy wierdt eenigermaate vervolgd tot aan het eind der beide takken door twee gooten, die

Sluiten